Home > Algemeen > NAM aansprakelijk voor immateriële schade en materiële schade als gevolg van gederfd woongenot
NAM aansprakelijk voor immateriële schade en materiële schade als gevolg van gederfd woongenot

NAM aansprakelijk voor immateriële schade en materiële schade als gevolg van gederfd woongenot

Bij vonnis d.d. 1 maart 2017 heeft de rechtbank Noord-Nederland geoordeeld dat de Nederlandse Aardolie Maatschappij (“NAM”) aan een deel van de inwoners van het Groningenveld immateriële schade moet vergoeden alsmede materiële schade als gevolg van gederfd woongenot. Het betreffen hier schades die bovenop de schade vanwege waardevermindering van de woningen komt. In het kader van de immateriële schade oordeelt de rechtbank dat deze kwestie een uitzondering vormt op de hoofdregel dat alleen immateriële schade vanwege aantasting in de persoon voor vergoeding in aanmerking komt als sprake is van geestelijk letsel ofwel een psychiatrisch erkende objectief vast te stellen ziekte.

Casus

In deze procedure hebben de inwoners van het Groningenveld zowel de NAM als de Staat gedagvaard en vorderen zij een verklaring voor recht dat beide aansprakelijk zijn voor de immateriële schade en materiële schade als gevolg van gederfd woongenot op grond van artikel 6:177 lid 1 sub b BW (risicoaansprakelijkheid exploitant mijnbouwwerk) en artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). De rechtbank acht de Staat niet aansprakelijk op grond van 6:177 BW omdat niet is gebleken dat sprake is van vereenzelviging van de Staat en de NAM. Wel oordeelt de rechtbank dat De Staat zijn zorgplicht in de zin van artikel 6:162 BW heeft geschonden doordat zij na de aardbeving in Huizinge in augustus 2012 een onjuiste afweging heeft gemaakt met betrekking tot de gasproductie en de veiligheidsrisico’s voor de inwoners van Groningenveld. Dit betekent volgens de rechtbank echter niet dat er sprake is van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW. Daarvoor is volgens de rechtbank nodig dat de schade van de inwoners door het toezichtsfalen is ontstaan of toegenomen. Niet is vastgesteld dat de gestelde schade niet zou zijn geleden indien de Minister de gasproductie na de beving in Huizinge eerder tot een beperkt niveau zou hebben teruggebracht.

Vervolgens de aansprakelijkheid van de NAM. Allereerst wordt de vraag beantwoord de inwoners die een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten met de NAM ten aanzien van de waardevermindering van de woning in beginsel aanspraak kunnen maken op verdere schadevergoeding nu in deze vaststellingsovereenkomsten kwijtingsbedingen staan opgenomen. De rechtbank oordeelt dat zowel de ruim geformuleerde als de minder ruim geformuleerde kwijtingsbedingen in de vaststellingsovereenkomsten niet aan de weg staan voor het vorderen van immateriële schade, mede vanwege de strekking van de bepalingen en de zwakkere positie van de inwoners ten opzichte van de NAM.

De inwoners vorderen allereerst immateriële schade omdat zij naar eigen stellingen zijn aangetast in de persoon als gevolg van constante dreiging van aardbevingen waardoor zij last hebben van angst, zorg, ergernis en overlast en in sommige gevallen lichamelijke en psychische klachten, en omdat zij in hun woongenot zijn aangetast. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat de wetgever de lat voor toekenning van immateriële schade hoog heeft willen leggen:

Uitgangspunt is dat buiten de gevallen van lichamelijk letsel en de aantasting van eer en goede naam, sprake moet zijn van geestelijk letsel, waarmee wordt bedoeld een in de psychiatrie erkende ziekte, die objectief is of kan worden vastgesteld. De Hoge raad heeft echter een aantal malen uitgesproken dat een schending van fundamentele persoonlijkheidsrechten, zoals het recht op zelfbeschikking en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, gelet op de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen voor de benadeelde een aantasting in de persoon op andere wijze kan opleveren, zonder dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen (HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR2012:BW1519, Blauw Oog). Dit is lijn met de wetsgeschiedenis waarin als voorbeeld een dergelijk fundamenteel recht het recht op privacy is genoemd.

De rechtbank maakt de vergelijking met de zaak Groninger oudejaarsrellen (HR 9 juli 2014, ECLI:NL:HR:2004AO7721) en stelt dat uit de na de aardbeving opgestelde onderzoeksrapporten blijkt dat gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid met betrekking tot lijf en goed aan de orde zijn. Bovendien gaat het volgens de rechtbank om een lange periode die tot op de dag van vandaag voortduurt en voor onbepaalde tijd blijft voortduren. Volgens de rechtbank is er dan ook sprake van een situatie waarin door NAM een ernstige inbreuk wordt gemaakt op een fundamenteel persoonlijkheidsrecht, welke inbreuk ook zonder dat sprake is van geestelijk letsel, bij degenen die daardoor persoonlijk gevoelens van angst, zorg en psychiatrisch onbehagen ervaren, leidt tot aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW. Wel zal per individuele eiser moeten worden beoordeeld of een vergoeding van immateriële schade op zijn plaats is.

Ook de tweede vordering (verklaring voor recht dat de NAM aansprakelijk is voor materiële schade als gevolg van gederfd woongenot wordt) wordt, los van enkele gevallen waarin een ruim kwijtingsbeding is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst, toegewezen. Volgens de rechtbank gaat het hier immers om een andere schadepost dan waardevermindering van de woning zelf. Het gaat om kosten met betrekking tot het onverminderd gebruik en genot van hun woningen waardoor sprake is van uitgaven die hun doel in belangrijke mate hebben gemist.

Bekijk hier de uitspraak.

 

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Scroll To Top