Home > Aansprakelijkheid algemeen > Een gebrekkige stoep?
Een gebrekkige stoep?

Een gebrekkige stoep?

Feiten

Op 20 april 2013 komt een vrouw (eiseres) ten val bij het verlaten van haar woning wanneer zij vanuit haar voordeur op de daarvoor gelegen stoep stapt. Als gevolg van deze val loopt mevrouw letsel op. Eiseres stelt de gemeente Almere voor de gevolgen op grond van de artikelen 6:174 en 6:162 BW aansprakelijk.

Eiseres stelt dat de val veroorzaakt is door het grote hoogteverschil tussen de woning en de stoep van in totaal 28 centimeter. Dat hoogteverschil zou zijn ontstaan doordat de onderliggende bodem door inklinking is verzakt. Deze afstand is berekend vanaf de stoep tot aan de bovenkant van een op de drempel van de woning geplaatste metalen strip van 4 cm hoog. De stoep zou volgens de vrouw niet hebben voldaan aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Een afstap met een hoogteverschil van meer dan 22 centimeter zou een gevaarlijke situatie opleveren en in strijd zijn met de veiligheidsnormen. Hierbij verwijst eiseres naar artikel 2.31 van het destijds geldende Bouwbesluit 2012.

De gemeente wijst aansprakelijkheid af en wordt door eiseres in een procedure betrokken samen met haar verzekeraar. Die procedure heeft geleid tot een vonnis van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2016:6689). Tot welk oordeel komt de rechter?

Gebrekkige stoep?

In de procedure is geen geschilpunt dat de stoep onderdeel uitmaakt van de openbare weg waarvan de gemeente wegbeheerder is. Op grond van artikel 6:174 (lid 2) BW is dus sprake van een opstal. Op de gemeente rust dan ook de plicht ervoor te zorgen dat de toestand van de stoep de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt. Vgl. HR 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549, NJ 1993/547 (Bussluis). De aansprakelijkheid dient beoordeeld te worden aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in het bekende Wilnis-arrest (HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155).

In deze zaak staat wel de vraag ter discussie of de stoep gebrekkig is. Volgens eiseres is hier sprake van indien het hoogteverschil groter is dan 22 centimeter. Partijen verschillen echter van mening over de grootte van het ontstane hoogteverschil.

Het verweer van de gemeente dat niet zonder meer duidelijk is dat voornoemd gebrek bij de stoep ligt en niet – op z’n minst – gedeeltelijk bij de woning, wordt door de rechter gepasseerd, omdat de toename van het hoogteverschil te wijten is aan het verzakken van de stoep en niet aan de toestand van de woning. De woning is namelijk op palen gebouwd en (om die reden) niet verzakt.

De beoordeling

De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 2.31 Bouwbesluit 2012 in zijn algemeenheid niet vaststaat dat een hoogteverschil van meer dan 22 cm een gevaar oplevert.

Allereerst ziet dit artikel op een ‘een bouwwerk’ ex artikel 2.30 Bouwbesluit 2012. Laatstgenoemd artikel luidt immers als volgt:

Een bestaand bouwwerk heeft in een vluchtroute voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.

Volgens de rechtbank kan een stoep niet als bouwwerk worden gezien.

Daar komt bij dat de in artikel 2.31 Bouwbesluit 2012 neergelegde eis niet los gezien kan worden van het belang dat daar kennelijk mee wordt gediend, namelijk het belang om (zo snel mogelijk) te kunnen vluchten. Uit artikel 2.31 Bouwbesluit 2012 volgt dat:

Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen vloeren waarover een vluchtroute voert, of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan.

De rechtbank oordeelt bovendien dat de uitkomst niet anders is als de doorgang – zoals eiseres betoogt – wél gezien wordt als vluchtroute en de stoep niet zou voldoen aan de eisen die aan vluchtroutes worden gesteld. Immers, in het onderhavige geval is eiseres niet gevallen toen zij de stoep als vluchtroute gebruikte. Dit is door eiseres gesteld noch gebleken. Dat neemt volgens de rechtbank niet weg dat een afstap van meer dan 22 centimeter gevaarlijk kan zijn. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang:

4.6 (…) dat het toegenomen hoogteverschil geleidelijk, in een aantal jaren tijd, is ontstaan en dat [eiseres] als veelvuldig passant van de desbetreffende doorgang met de langzaam toegenomen hoogte van de afstap goed bekend was. Voorts is ten aanzien van het gebruik van de afstap van de woning naar de stoep slechts aangevoerd dat [eiseres] daar als voetganger regelmatig passeerde, al dan niet voorzien van boodschappentassen. Verdere bijzonderheden ten aanzien van het gebruik van de stoep ter plaatse zijn niet gesteld. Gesteld noch gebleken is dat passanten die over de stoep langs de woning liepen van het hoogteverschil enige hinder ondervonden. Gesteld noch gebleken is voorts dat het geleidelijk ontstane hoogteverschil voor bezoekers van [eiseres] moeilijk waarneembaar of niet te verwachten was.

Daar komt bij dat de gemeente in deze zaak gemotiveerd verweer heeft gevoerd. De gemeente stelt dat zij – vanwege haar ligging in de polder – te maken heeft met inklinking, waardoor (grote) hoogteverschillen kunnen ontstaan. Gelet op de hoge kosten, van miljoenen euro’s per wijk, wordt dit probleem projectmatig aangepakt. Hierbij zijn in eerste instantie de openbare wegen in de wijken met de grootste problemen opgehoogd en was nog niet toegekomen aan de wijk waarin de woning van eiseres staat. Voor die aanpak heeft de gemeente volgens de rechtbank mogen kiezen.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval het hoogteverschil van 28 centimeter geen wezenlijk gevaar oplevert dat uit het oogpunt van veiligheid door de gemeente voorkomen had moeten worden.

Kortom: de gemeente Almere wordt niet aansprakelijk geacht tegenover eiseres. De vorderingen worden afgewezen.

 

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen