U bent hier: Home > Aansprakelijkheid algemeen > Directeur/grootaandeelhouder kan ‘eigen’ B.V. niet aanspreken voor schade door blootstelling aan asbest
Directeur/grootaandeelhouder kan ‘eigen’ B.V. niet aanspreken voor schade door blootstelling aan asbest

Directeur/grootaandeelhouder kan ‘eigen’ B.V. niet aanspreken voor schade door blootstelling aan asbest

In de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 juli 2016 (ECLI:NL:RBMNE:2016:3838) houdt de directeur/grootaandeelhouder (hierna: DGA) van een B.V. de B.V. ex artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk voor de door hem opgelopen maligne mesothelioom epitheliaal (longvlieskanker).

De DGA was tot 5 januari 1977 als loodgieter in dienst bij zijn vader in diens loodgietersbedrijf, destijds nog een eenmanszaak. Vanaf dat moment is het bedrijf omgezet in een B.V. waarvan de DGA en zijn vader beide aandeelhouder/directeur waren en na het uitvallen van zijn vader vanwege ziekte is de DGA directeur en enig aandeelhouder van de B.V. geweest totdat de B.V. in 2012 is gefailleerd.

De DGA stelt door de B.V. onvoldoende te zijn beschermd tegen de gezondheidsrisico’s die het werken met asbest met zich meebrengt, waardoor hij ziek zou zijn geworden. In de loodgieterswerkzaamheden zou hij regelmatig zijn blootgesteld aan asbeststof zonder dat beschermende maatregen waren genomen. Op grond van de in artikel 7:954 lid 2 BW neergelegde directe actie wendt de DGA zich met zijn vordering tot schadevergoeding rechtstreeks tot ASR waar de failliete B.V. verzekerd was.

Verjaring van de vordering in de periode tot 3 april 1982

ASR voert als verweer dat de vordering van de DGA ex artikel 3:310 lid 2 BW is verjaard, voor zover betrekking hebbend op de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór 3 april 1982 (30 jaar vóór de aansprakelijkstelling van 3 april 2012). Krachtens dit artikellid verjaart de vordering 30 jaren na het laatste moment van de gestelde blootstelling aan asbest.

Voor wat betreft de gebeurtenissen na 3 april 1982 stelt ASR zich op het standpunt dat de DGA zelf verantwoordelijk was voor de werkomstandigheden waaronder hij als loodgieter heeft gewerkt en dat hij de B.V. niet aansprakelijk kan houden voor schade die door zijn eigen toedoen of nalaten als feitelijk leidinggevende is veroorzaakt.

Voor wat betreft de periode tot begin 1977 – vóór de overname van het bedrijf door de DGA – oordeelt de rechtbank, aan de hand van de gezichtspunten uit het arrest Van Hese/Schelde (HR 28 april 2000, NJ 2000, 430), dat het door ASR gedane beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is zoals door de DGA is gesteld. De rechtbank overweegt daartoe onder meer dat zou over de periode tot de overname door de DGA al sprake zijn van een tekortschieten in de zorgplicht door diens vader, dit verwijt gezien de wetenschap omtrent de gevaren van het werken met asbest destijds, beperkt is. Er is derhalve geen sprake van een ernstig verwijt zoals is vereist in gezichtspunt c uit het arrest Van Hese/Schelde. Men hoefde ook geen rekening te houden met de mogelijkheid om voor asbestschade aansprakelijk te worden gesteld (gezichtspunt d) en de mogelijkheid om zich tegen een dergelijke vordering te verweren, is beperkt (gezichtspunt e).

Voor wat betreft de periode na 1977 – vanaf het moment dat de DGA (mede) aan het roer van het bedrijf stond – oordeelt de rechtbank dat de DGA op enig moment (van 1977 tot 2012) heeft behoren te weten dat de werknemers van zijn bedrijf tegen de gevaren van het werken met asbest dienden te worden beschermd. Bij de weging van de gezichtspunten c, d en e neemt de rechtbank in aanmerking dat de DGA vanaf begin 1977 zowel degene was die het beleid van de onderneming bepaalde, als werknemer van de B.V. Zou al moeten worden geconcludeerd dat ook vóór 3 april 1982 de B.V. het verwijt treft in haar zorgplicht jegens haar personeel te zijn tekortgeschoten, dan leidt volgens de rechtbank de omstandigheid dat de kwaliteiten van werknemer en van (beleidsbepaler van) werkgever in de persoon van de DGA samenvielen, ertoe dat de genoemde gezichtspunten bezwaarlijk in zijn voordeel kunnen werken. De overige gezichtspunten die wel in het voordeel van de DGA uitvallen, leggen volgens de rechtbank onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te kunnen leiden.

Het door ASR gedane beroep op verjaring slaagt derhalve.

Schending zorgplicht periode vanaf 3 april 1982?

Voor wat betreft de gestelde blootstelling aan asbest in de periode vanaf begin april 1982, ten aanzien waarvan de vordering nog niet is verjaard, oordeelt de rechtbank dat de B.V. haar zorgplicht heeft geschonden door haar werknemers niet te beschermen tegen de gevaren van blootstelling aan asbest. De rechtbank is echter van mening dat de DGA geen vordering op zijn B.V. heeft.

Volgens de rechtbank laat de schuldaansprakelijkheid in artikel 7:658 lid 2 BW zich moeilijk denken in een geval als het onderhavige dat erdoor wordt gekenmerkt dat de werknemer, die tevens de hoedanigheid van feitelijk leidinggevende heeft en de hoogste beleidsbepaler van de werkgever was, zijn werkgever aansprakelijk houdt voor schade die hij heeft geleden doordat niet de redelijkerwijs van deze te vergen veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. In dat kader acht de rechtbank onder meer van belang dat de DGA zelf in zijn kwaliteit van beleidsbepaler de werkomstandigheden bepaalde en daarop moest toezien.

Het is volgens de rechtbank bovendien in strijd met de redelijkheid en billijkheid die een DGA jegens zijn B.V. in acht dient te nemen, dat de DGA zijn B.V. aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt doordat hijzelf zijn taak als bestuurder niet naar behoren heeft uitgevoerd.

ASR is als verzekeraar van de B.V. dus niet gehouden tot vergoeding van de schade van de DGA.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen