Home > Aansprakelijkheid algemeen > Schadeverdeling na watersportongeval
Schadeverdeling na watersportongeval

Schadeverdeling na watersportongeval

De Hoge Raad heeft op 4 oktober 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA3751) een arrest gewezen met betrekking tot de billijkheidscorrectie bij een watersportongeval. Het slachtoffer is in deze zaak in cassatie gegaan tegen het arrest van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, etc., 3 april 2012, (ECLI:NL:OGHACMB:2012:BW4771)

Het gaat in deze zaak om het volgende. Een jongetje van 13 jaar heeft in Curaçao de waterscooter van zijn oom geleend. Hij is daarmee vanaf Baya Beach naar Jan Thiel-baai gevaren. Jan Thiel-baai is een drukbezochte badplaats waar ook veel wordt gedoken en gesnorkeld. De jongen is de kust tussen de 15 en 50 meter genaderd.

Tijdens het ritje op de waterscooter heeft een aanvaring plaatsgevonden met een snorkelaar die daarbij ernstig letsel heeft opgelopen. De snorkelaar heeft vervolgens de ouders van de jongen aansprakelijk gesteld op grond van onrechtmatige daad. Het gerecht in eerste aanleg heeft deze vordering van de snorkelaar toegewezen.

Het Gemeenschappelijk Hof oordeelde echter anders en vernietigde dit vonnis van het gerecht in eerste aanleg. Het Hof oordeelde dat de bestuurder van een waterscooter te allen tijde een goede uitkijk dient te houden door te kijken te luisteren en een veilige vaart dient aan te houden zodat hij een aanvaring kan voorkomen. Wanneer een drukbezochte badplaats wordt genaderd, moet de bestuurder rekening houden met de mogelijke aanwezigheid van zwemmers, snorkelaars en duikers en daarom voorzichtiger en oplettender zijn. Het Hof oordeelde dat de jongen de snorkelaar had moeten kunnen zien aan zijn snorkelpijp, zeker nu de snorkelaar niet de enige snorkelaar was in het gebied. Het Hof acht de ouders van de jongen daarom aansprakelijk, nu de onrechtmatige daad de jongen gezien zijn leeftijd niet kan worden toegerekend.

De ouders hebben vervolgens een beroep gedaan op eigen schuld van de snorkelaar. De snorkelaar gebruikte geen duikvlag of –boei of enig ander herkenningsteken. Bovendien was er in het gebied waarin hij snorkelde veel vaarverkeer en begaf hij zich dus in een gevaarlijk omgeving, zeker nu hij als snorkelaar zijn hoofd in het water hield en dus niet kon waarnemen wat er aan de wateroppervlakte gebeurde.

Het Hof is in dit beroep op eigen schuld meegegaan en heeft geoordeeld dat van een snorkelaar verwacht mag worden dat hij, wanneer hij gaat snorkelen in een gebied waar ook vaarverkeer is, zijn zichtbaarheid vergroot door gebruik van een duikvlag, -boei of ander herkenningsteken. Het Hof heeft de schade daarom in de verhouding 50:50 tussen partijen verdeeld.

Tegen dit laatste oordeel is de snorkelaar in cassatie gegaan. De snorkelaar klaagde dat het Hof ten onrechte niet de billijkheidscorrectie uit artikel 6:101 BW heeft toegepast. De billijkheidscorrectie houdt in dat van de verdeling van de schade kan worden afgeweken in die zin ‘dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.’ In het leerstuk van de ‘eigen schuld’ is het uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld naar de mate waarin beide partijen feitelijk aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen. Dit kan soms tot een gevoelsmatig oneerlijke verdeling leiden, bijvoorbeeld wanneer een van de twee partijen een kwetsbare partij is of juist een groter verwijt valt te maken. Deze verdeling kan dan worden gecorrigeerd middels de billijkheidscorrectie. Bij de billijkheidscorrectie moet rekening gehouden worden met alle omstandigheden van het geval.

De Hoge Raad acht de klacht van de snorkelaar gegrond. Gezien de omstandigheden van het geval, waaronder de ernstige gevaarzetting door de waterscooter, de bijzondere kwetsbaarheid van zwemmers, snorkelaars en duikers, het ernstige letsel van de snorkelaar en de relatief eenvoudige manier waarop de waterscooter het gevaar had kunnen voorkomen, had het Hof moeten onderkennen dat de billijkheid een andere verdeling met zich mee zou brengen.

Interessant in deze zaak is de conclusie van A-G Wuisman (ECLI:NL:PHR:2013:CA3751), die concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Wuisman acht het oordeel van het Hof omtrent de eigen schuld, mede in het licht van de verwevenheid met (niet in cassatie toetsbare) feitelijke waarderingen, niet onjuist of onbegrijpelijk. Wuisman wijst daarbij nog op de aard van de (risico)aansprakelijkheid die de ouders van het jongetje dragen voor de onvoorzichtigheid van hun kind. Volgens Wuisman bestaat er bij dit type aansprakelijkheid aanleiding om bij correcties uit billijkheidsoverwegingen meer terughoudendheid te betrachten (sub 3.11).

De Hoge Raad heeft dit advies van de A-G dus niet opgevolgd en geeft een oordeel dat toch wel in grote mate verweven is met feitelijkheden. De Hoge Raad heeft de zaak ter verdere behandeling terugverwezen naar het Hof.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen